Volgens artikel 443 van het Belgische Strafwetboek is hij die aan een persoon kwaadwillig een bepaald feit ten laste legt, dat zijn eer kan krenken of hem aan de openbare verachting kan blootstellen, en waarvan het wettelijk bewijs niet wordt geleverd, schuldig aan laster en eerroof.
Aanverwant zijn een aantal andere potentiële misdrijven interessant om te bekijken in deze context. Het strafwetboek stelt in de artikelen 443 en volgende immers een hele reeks misdrijven strafbaar die inbreuk vormen op het privéleven, de reputatie of de eer van een persoon.
Het betreft de misdrijven laster, eerroof, belediging, lasterlijke aangifte of kwaadwillige ruchtbaarmaking.
Verschil tussen laster en eerroof:
Er wordt in de wet en rechtsleer, zoals hierboven reeds gesteld, een onderscheid gemaakt tussen enerzijds laster en anderzijds eerroof.
Laster is iemand kwaadwillig iets verwijten zodat dit deze persoon blootstelt aan publieke verachting, zonder dat men erin slaagt het wettelijke bewijs ervan te leveren, terwijl de wet het leveren van het bewijs veronderstelt. Belangrijk hierbij is dat het niet noodzakelijk om een leugen hoeft te gaan, het cruciale element is dat de wet de dader niet toestaat om het bewijs ervan te leveren, of dat het bewijs simpelweg ontbreekt. Dit kan bijvoorbeeld wanneer je in het openbaar beschuldigd wordt van diefstal of zedenfeiten, terwijl hier absoluut geen bewijs van voorhanden is.
Eerroof is iemand kwaadwillig iets verwijten zodat de eer van die persoon wordt aangetast of hij/zij wordt blootgesteld aan publieke verachting, zonder dat het bewijs hiervan wettelijk gezien geleverd kan of mag worden.
Een ander klassiek voorbeeld van eerroof is het openbaar maken van iemands strikte privéleven (zoals iemands seksuele geaardheid of een buitenechtelijke relatie) met de pure bedoeling die persoon te schaden. Omdat dit feiten uit de privésfeer zijn, laat de wet niet toe dat men de waarheid ervan voor een strafrechter gaat bewijzen.
Men spreekt van laster wanneer de wet wél toestaat om het bewijs van het toegeschreven feit te leveren (bijvoorbeeld omdat het gaat om een misdrijf), maar de beschuldiger er niet in slaagt dit bewijs te leveren én de beschuldiging is geuit met het oogmerk te schaden. Laster impliceert dus dat de bewering aantoonbaar onjuist is, of althans onbewezen blijft binnen de wettelijke kaders.
We zitten hier dus in beide gevallen ( zowel voor laster als voor eerroof) met een publiek element als constitutief bestanddeel wat enigszins genuanceerd kan worden nu ook wel rechtspraak te vinden is die het publiek element enigszins relativeert (Cfr. Infra: Cass. 2 mei 2001, www.cass.be ).
Klinkt op zich goed, maar “laster” zou er dus in bestaan:
“Aan een persoon kwaadwillig een bepaald feit ten laste te leggen dat zijn eer kan krenken of hem aan de openbare verachting kan blootstellen, en waarvan het wettelijk bewijs niet wordt geleverd, terwijl de wet dat bewijs toelaat.”
Laster is onder meer strafbaar wanneer deze gepleegd wordt in tegenwoordigheid van verscheidene personen, in een plaats die niet openbaar is maar toegankelijk voor een aantal personen die het recht hebben er te vergaderen of ze te bezoeken (artikel 443 en artikel 444 Sw. zie ook Hof van Cassatie, 2de kamer, AR P.01.0175.F, 2 mei 2001, www.cass.be (18 oktober 2001).
De rechtspraak van het Hof van Cassatie aangaande het al dan niet aanwezig zijn van zulk een “openbaar karakter” laat de rechter ten gronde alle beoordelingsvrijheid nu zij zulks een feitenkwestie acht (Cass. P.07.0714.N, 30 oktober 2007, www.cass.be evenals cassatie, AR 3441, 29 mei 1990, www.cass.be (18 oktober 2001, Arr. Cass. 1989-90 1233)). Bij voorbeeld Corr. Gent 15 januari 1998 T.G.R. 1998, 155).
Immuniteit voor laster en eerroof in pleidooien:
De wereld van het gerecht geniet enige immuniteiten dienaangaande die evenwel niet van toepassing lijken in deze zaak, zulks althans op het eerste gezicht en zonder bijzonder nazicht.
Anderzijds Cass. AR 5822, 10 maart 1992 Hilven Coelen:
De straffeloosheid bepaalt bij artikel 452 Sw. (laster en eerroof) beoogt de uitoefening van de rechten van de verdediging voor hoven en rechtbanken. Ze is derhalve uitsluitend van toepassing op de door partijen voor de rechtbank gesproken woorden of aan de rechtbank overlegde geschriften. Ze is niet van toepassing op procespartijen.
De immuniteit met betrekking tot voor de rechtbank gesproken woorden of aan de Rechtbank overgelegde geschriften, voorzien in artikel 452 Sw. geldt uitsluitend voor de voor de rechtbank gesproken woorden of aan de rechtbank overgelegde geschriften door de in het geding zijnde partijen, en dus niet aan de communicatie die daaraan vooraf gaat dan wel naderhand geschied.
Digitale Reputatieschade: Laster en Eerroof op Sociale Media:
Het Drukpersmisdrijf versus het Gemeenrechtelijk Misdrijf:
- Schriftelijke uitingen op het internet die louter tekst bevatten, kunnen onder het drukpersmisdrijf vallen.
- Zodra er echter sprake is van audiovisuele elementen (zoals een YouTube-video of een TikTok met audio), of wanneer het misdrijf gekoppeld is aan cyberpesten of belaging (stalking), verschuift de bevoegdheid vaak naar de correctionele rechtbank. Dit vergroot de kans op effectieve strafrechtelijke vervolging aanzienlijk.
Bewijslast voor laster en eerroof:
Samenvattend moeten volgende elementen voorhanden zijn voor er sprake is van een misdrijf:
- Het toeschrijven van een specifiek feit: Een vage beschuldiging zoals “hij is onbetrouwbaar” valt niet onder eerroof, maar onder eerkrenking. De beschuldiging moet betrekking hebben op een specifiek, individualiseerbaar feit (bv. “hij heeft geld gestolen uit de bedrijfskas op datum X”).
- De openbaarheid: Het feit moet gepleegd zijn in omstandigheden waarin het een zekere openbaarheid geniet. Artikel 444 Sw. somt deze specifiek op: in openbare bijeenkomsten, in aanwezigheid van meerdere personen, of via geschriften (fysiek of digitaal) die verspreid of toegankelijk zijn gemaakt.
- Het kwaadwillig oogmerk (animus injuriandi): De dader moet gehandeld hebben met het opzet om de reputatie van het slachtoffer te schaden. Het loutere feit dat een bewering ongepast is, volstaat niet; het wetens en willens berokkenen van reputatieschade is vereist.
- De afwezigheid van wettelijk bewijs: Zoals hierboven toegelicht, is het al dan niet kunnen/mogen leveren van het waarheidsbewijs bepalend voor de kwalificatie.
Wel ligt de bewijslast van deze misdrijven erg moeilijk gelet op:
– K.I. Brussel 5 december 1991, J.T. 1992, 387, Noodjongen, F., calomnie ou diffamation?.
Laster veronderstelt het animus iniurandi, de wil tot schaden (de uitlatingen die zich situeren in het kader van een emotionele context en een politiek debat kunnen dus niet aanzien worden als laster. Hoe bewijs je een “wil om te schaden” ?
– RB. Brussel (4de kamer, 25 juli 2001 J.L.M.B. 2001, aflevering 36, 157: een essentieel element van laster is de kwaadwillige intentie: de dader moet hebben gehandeld met de bedoeling aan de belasterde persoon schade toe te brengen dit bijzonder opzet wordt niet vermoed maar moet bewezen worden door vervolgde partij, of de klager.
Het is bovendien zo dat men, ter beoordeling van het al dan niet aanwezig zijn van de laster of beledigingen, zich moet plaatsen op het tijdstip waarop het ten lastegelegde feit is gepleegd (Hof van Cassatie, 2de kamer, AR P.09.1476.F, 3 februari 2010, A.P.T. 2010 (samenvatting), aflevering 1-2, 288, www.cass.be (26 februari 2010, J.T. 2010, aflevering 6392, 274, N.J.W. 2010, aflevering 231, 756)).
Op het ogenblik van het uiten van communicatie moet deze dus onredelijk voorkomen. Dat is de maatstaf.
Echter is het zo dat een weinig voorzichtige communicatie niet kan volstaan in deze vermits de misdrijven die worden beteugeld door de artikelen 443, 444, 448 en 449 Strafwetboek enkel bestaan indien de dader kwaadwillig wil schaden, algemeen opzet volstaat niet (Corr. Marche-N-Famenn, 6 mei 1992, J.P.L.M.B. 1993, 1.066, evenals Hof van Cassatie, AR 9856, 18 november 1992 (De Bonvoisin/Raes), www.cass.be (18 oktober 2001), Bull. 1992, 1269, Pas. 1992, 1.1269).
Een en ander veronderstelt – nogmaals -het animus iniurandi, de wil tot schaden (zie ook Gent, 16 januari 2004, NJW 2004, aflevering 72, 631, nood Brewaeys, E.). Vaak is het zo dat het niet evident zal zijn om hierin succesvolle klacht neer te leggen die tot een veroordeling zou kunnen leiden.
- Concreet feit: Er wordt niet zomaar een vage belediging geuit (zoals “het is een dief”), maar er wordt een specifiek, strafbaar feit toegeschreven (cashgeld stelen en belastingfraude plegen).
- Openbaarheid: Het bericht staat op een openbare Facebook-pagina, waardoor het voor een groot publiek toegankelijk is.
- Kwaadwillig oogmerk: De ex-werknemer doet dit bewust uit wraak, met het doel de reputatie van de zaakvoerder en het bedrijf te schaden.
- Onwaar/onbewezen: Omdat belastingfraude een misdrijf is, staat de wet toe dat de ex-werknemer het bewijs hiervan probeert te leveren. Als er echter helemaal geen sprake is van fraude (of de ex-werknemer kan dit absoluut niet bewijzen voor de rechtbank), dan is er juridisch sprake van laster.
- Concreet feit: Er wordt een specifiek feit toegeschreven dat de persoon aan de openbare verachting blootstelt.
- Openbaarheid: Het staat op een openbaar en professioneel platform (LinkedIn).
- Kwaadwillig oogmerk: Het bericht heeft als enig doel de HR-manager professioneel en persoonlijk te beschadigen.
- Wettelijk bewijsverbod: Dit is de juridische kern van eerroof. Omdat het gaat om een feit waarvoor al een veroordeling is geweest én de persoon in eer is hersteld, verbiedt de wet (Artikel 447 Strafwetboek) om het waarheidsbewijs nog te leveren. Zelfs al spreekt de dader technisch gezien de waarheid, het oprakelen van dit specifieke verleden met het oogmerk om te schaden is strafbaar. Omdat het bewijs wettelijk niet mag worden geleverd, kwalificeert dit als eerroof (en niet als laster).
Gelijkaardige misdrijven:
Belediging is het verspreiden van informatie over onduidelijke feiten die de eer van een andere persoon aantast.
Lasterlijke aangifte: laster in de vorm van aangifte aan de overheid.
Kwaadwillige ruchtbaarmaking: Anders dan laster en eerroof impliceert de kwaadwillige ruchtbaarheid, het verspreiden van weliswaar correcte informatie waarvan de verspreiding op zichzelf storend overkomt (bijvoorbeeld een strafrechtelijke veroordeling).
Straf voor laster en eerroof:
De schuldige wordt gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot een jaar en met geldboete van zesentwintig euro tot tweehonderd euro, wanneer de tenlasteleggingen geschieden:
- In openbare bijeenkomsten of plaatsen (bvb. een verkiezingsspeech)
- In tegenwoordigheid van verscheidene personen in een niet-openbare maar voor die personen toegankelijke plaats (bvb. een vergadering op het werk)
- In om het even welke plaats, zolang het in aanwezigheid is van het slachtoffer en getuigen (bvb. op de openbare weg)
- Door geschriften, prenten of zinnebeelden die aangeplakt, verkocht, verspreid of tentoongesteld worden (bvb. in de roddelpers)
- Door geschriften, die niet openbaar gemaakt worden maar aan verscheidene personen toegestuurd of meegedeeld worden (bvb. een brief die wordt opgestuurd aan familie of collega’s op het werk)
Met gevangenisstraf van vijftien dagen tot zes maanden en met geldboete van vijftig euro tot duizend euro wordt gestraft :
- Hij die schriftelijk bij de overheid een lasterlijke aangifte indient; (bijvoorbeeld een valse klacht neerleggen bij de politie)
- Hij die schriftelijk aan een persoon lasterlijke aantijgingen tegen zijn ondergeschikte toestuurt. (bijvoorbeeld over een werknemer)
Verschil met lasterlijke aangifte Politie:
Zoals u uit de verschillende voorbeelden uit dit artikel heeft kunnen afleiden, kan laster en eerroof vele verscheidene vormen aannemen. Een vaak voorkomende vorm van laster en eerroof zijn lasterlijke aangiftes die worden gedaan bij de politie. Denk maar aan de ex-partner die klacht neerlegt voor slagen en verwondingen of verkrachting, zodat hij of zij het hoederecht van de kinderen kan opeisen.
Uiteraard bent u onschuldig tot het tegendeel bewezen is. Het is dus niet omdat een klacht jegens uw persoon wordt ingediend, dat deze ook altijd een feitelijke grondslag heeft. Desalniettemin kan een dergelijke klacht of vervolging al verregaande gevolgen hebben, zelfs zonder dat een veroordeling wordt uitgesproken.
U moet leven met een bepaald stigma, u moet verantwoording afleggen ten aanzien van personen, u moet misschien als verdachte verhoord worden door de politie met alle stress en bezorgdheden die daarbij komen kijken. Dit zorgt uiteraard voor zeer traumatische ervaringen en de daarbij horende emotionele schade.
Wanneer uiteindelijk blijkt dat de persoon die de aangifte deed leugenachtig was, en dat het Openbaar Ministerie u niet zal vervolgen voor de beweerde feiten, kan u overwegen een procedure op te starten voor laster en eerroof. Er zijn verschillende manieren om dit te doen, doch vaak is het raadzaam om deze juridische stappen met uw advocaat te bespreken en te doorlopen.
Een klacht kan ingediend worden bij de politiediensten, maar ook een klacht met burgerlijke partijstelling voor de onderzoeksrechter of een rechtstreekse dagvaarding kunnen nuttig zijn om de zaak met zekerheid bij het gerecht aanhangig te maken.
Aan de klacht met burgerlijke partijstelling of rechtstreekse dagvaarding zijn bepaalde kosten verbonden, maar hiermee kan u ervoor zorgen dat de klacht niet zomaar naast zich neer wordt gelegd. De onderzoeksrechter of Correctionele Rechtbank die met de klacht of dagvaarding gelast wordt, is verplicht een uitspraak te doen.
Het is steeds raadzaam eerst de verschillende mogelijkheden en slaagkansen met een advocaat te bespreken vooraleer u verdere stappen onderneemt. Deze kan u ook begeleiden in het opstellen van de klacht, het vergaren van bewijs en het vorderen van een schadevergoeding.
De Rol van de Strafpleiter: Verdedigingsstrategieën
Voor de Verdediging (De Beklaagde) inzake laster en eerroof:
- Betwisting van het kwaadwillig opzet: Kan worden aangetoond dat de cliënt handelde uit algemeen belang, of in de context van een legitiem maatschappelijk debat (klokkenluidersregeling)?
- Het waarheidsbewijs (exceptio veritatis): In het geval van laster kan de strafpleiter trachten het wettelijke bewijs van de feiten aan te dragen om de strafbaarheid op te heffen.
- Procedurele verweren: Voldoet de wijze van openbaarmaking aan de strikte criteria van artikel 444 Sw.? Is er sprake van verjaring? Misdrijven tegen de eer verjaren in de regel relatief snel.
Voor het Slachtoffer (De Burgerlijke Partij) inzake laster en eerroof:
- Bewijsvoering en fixatie: Het digitaal veiligstellen van bewijsmateriaal (bijvoorbeeld via een gerechtsdeurwaarder die screenshots legaliseert) is de eerste cruciale stap.
- Burgerlijke partijstelling: Het vorderen van een schadevergoeding voor de geleden morele en eventueel economische schade (reputatieverlies, omzetdaling).
- Verwijderingsprocedure: Het via kortgeding of stakingsvordering dwingen van de tegenpartij of de internetprovider tot het offline halen van de lasterlijke inhoud.
Besluit over laster en eerroof: