Wat is een Europees aanhoudingsbevel?
Sedert 2003 geldt in ons land een andere procedure wanneer een ander Europees land uitlevering dan wanneer een niet-Europees land dat zou doen. De procedure is eenvoudiger en korter dan wanneer de vraag vanuit een niet-Europees land zou komen.
Ook omgekeerd, wanneer België om een ‘uitlevering’ verzoekt aan een andere lidstaat geldt een meer eenvoudige regeling. De procedure op basis van het Europees Aanhoudingsbevel ( EAB).
Deze EAB-procedure is tot stand gekomen op basis van een kaderbesluit van 13 juni 2002 (kaderbesluit van de Raad van de Europese Unie betreffende het Europees Aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de EU-lidstaten van). Dat kaderbesluit werd in ons land bij wet van 19 december 2003 betreffende het Europees Aanhoudingsbevel (kortweg: EAB-wet) omgezet naar Belgisch recht.
Een Europees aanhoudingsbevel maakt het mogelijk een verdachte te arresteren in een Europese lidstaat en over te leveren aan een andere lidstaat met het oog op vervolging of strafuitvoering. De idee is dat Europese lidstaten vertrouwen hebben in de deugdelijkheid van elkaars rechtssysteem waardoor een aantal zaken sneller en eenvoudiger moeten kunnen.
Tussen EU-lidstaten wordt daarom niet langer gebruik gemaakt van de uitlevering, maar wel van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). In dat verband wordt daarom niet gesproken van de uitlevering van een persoon, maar wel van de overlevering.
Omwille van het voormelde vertrouwen van de lidstaten in elkaars ‘deugdelijkheid’, kan één en ander sneller en eenvoudiger gaan, doordat men wederzijds elkaars aanhoudingsbevelen erkent en naar waarde schat.
Voor het nemen van de beslissing over de overlevering geldt een wettelijke termijn van 60 dagen vanaf de aanhouding van een persoon. Wanneer de betrokken aangehouden persoon zich niet verzet tegen zijn overlevering, is deze wettelijke wettelijke termijn nog maar 10 dagen (‘verkorte procedure’). Bliksem snel dus.
De EAB-wet van 19 december 2003 regelt twee situaties. Van zodra een EAB is uitgevaardigd, kan op basis van de EAB-wet de aanhouding en de overlevering van personen plaatsvinden, enerzijds met het oog op het instellen van de strafvervolging (‘vervolgingsoverlevering’), anderzijds met het oog op de uitvoering van een vrijheidsstraf of veiligheidsmaatregel (‘executie-overlevering’).
Voorwaarden:
De voorwaarden voor overlevering door of naar België op basis van een EAB bzijn:
- de feiten vatbaar moeten zijn voor overlevering (niet elk feit komt daarvoor in aanmerking),
- de over te leveren persoon meerderjarig is (het Hof van Cassatie heeft echter wel beslist dat een vervolgingsoverlevering van een persoon die 16 jaar of ouder was op het ogenblik van de feiten, mogelijk is als de feiten kunnen leiden tot uithandengeving),
- de feiten in beide landen strafbaar moeten zijn (dit is de regel van de ‘dubbele incriminatie’, die niet vereist is door het kaderbesluit maar wel de door Belgische wet die wel voorziet in een lijst van uitzonderingen),
- de feiten in beide landen vervolgbaar moeten zijn of dat de veroordeling in beide landen vatbaar moet zijn voor tenuitvoerlegging (zo mag er geen sprake zijn van verjaring, amnestie of immuniteit).
Los daarvan voorziet de wet ook in een aantal vormvereisten waaraan moet voldaan zijn om de uitleverende staat in staat te stellen controle uit te oefenen op het uitgevaardige EAB.
Weigeringsgronden
Het principe van de wederzijds erkenning heeft tot gevolg dat de rechter die uitspraak zal moeten doen over de tenuitvoerlegging van het EAB, de tenuitvoerlegging niet zomaar kan toestaan of kan weigeren. De weigeringsgronden zijn wettelijk bepaald, en kunnen van facultatieve of imperatieve aard zijn.
Alleszins voorziet het kaderbesluit minder weigeringsgronden dan de Uitleveringswet.
Wat België betreft zijn er vier verplichte weigeringsgronden, alsook een algemene mensenrechten-exceptie: amnestie (kwijtschelding van de straf),
ne bis in idem (beginsel waardoor men geen twee maal kan gestraft of vervolgd worden voor dezelfde feiten),
de leeftijd van de strafrechtelijk verantwoordelijke (in België vastgesteld op 18 jaar, tenzij bij uithandengeving vanaf 16 jaar),
verjaring (die zowel kan slaan op de strafvordering als op de straf) en
het gegrond gevaar voor de schending van mensenrechten.
Is één van deze scenario’s voorhanden, dan is de rechter die een buitenlands EAB controleert, verplicht om de overlevering te weigeren.
Procedure in België (België als aangezochte Staat)
Alles start met het uitvaardigen in een EU-lidstaat van een EAB tegen een persoon of een signalering in het Schengen-informatiesysteem (SIS). Van zodra de gezochte persoon gevat kan worden, dient hij binnen de 24 uur voor een onderzoeksrechter te worden gebracht, die hem in kennis stelt van het bestaan en de inhoud van het EAB, alsook van de mogelijkheid om in te stemmen met zijn overlevering naar de uitvaardigende staat (‘verkorte procedure’) en zijn recht op een raadsman en een tolk.
Vervolgens kan de onderzoeksrechter, na de gezochte persoon verhoord te hebben, beslissen hem in hechtenis te plaatsen, dan wel in vrijheid te stellen onder voorwaarden. Wanneer de onderzoeksrechter tijdens het verhoor zou vaststellen dat er een kennelijke reden bestaat om de tenuitvoerlegging te weigeren, kan hij eveneens een beslissing nemen tot niet-tenuitvoerlegging van het EAB.
In ieder geval heeft de gezochte persoon steeds een absoluut recht op vrij verkeer met zijn advocaat. Dit recht kan hem onder geen enkel beding worden ontnomen of ontzegd.
Verschillend aan de uitleveringsprocedure, is dat de onderzoeksrechter in het stelsel van een EAB op ieder ogenblik de gezochte persoon in vrijheid kan stellen.
Binnen de 15 dagen na zijn aanhouding, moet de gezochte persoon verschijnen voor de raadkamer die uitspraak zal doen over de tenuitvoerlegging van het EAB. De raadkamer zal o.a. onderzoeken of de voorwaarden zijn nageleefd en of er geen weigeringsgronden voorhanden zijn.
Tegen de beslissing van de raadkamer tot tenuitvoerlegging van het EAB, waardoor de overlevering van de gezochte persoon doorgang zal vinden, kan binnen de 24 uur na de betekening van de beslissing hoger beroep worden ingesteld door de gezochte persoon (of door het openbaar ministerie).
Ingevolge het hoger beroep, zal de zaak worden beoordeeld door de kamer van inbeschuldigingstelling die binnen de 15 dagen uitspraak zal moeten doen over het hoger beroep, op straffe van invrijheidstelling van de gezochte persoon.
Ook dit arrest zal aan de gezochte persoon moeten worden betekend binnen de 24 uur, waarna hij binnen de 24 uur een voorziening in cassatie kan instellen. Het Hof van Cassatie dient binnen de vijftien dagen uitspraak te doen over het cassatieberoep. Wordt het cassatieberoep verworpen, dan zal het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling over de tenuitvoerlegging van het EAB onmiddellijk uitvoerbaar worden.
Wanneer een definitieve beslissing voorhanden is ter tenuitvoerlegging van het EAB, is het openbaar ministerie belast met de effectieve tenuitvoerlegging ervan. In samenwerking met de diensten van de uitvaardigende staat zal zo snel als mogelijk een datum bepaald worden voor effectieve overlevering, die uiterlijk binnen de 10 dagen na de definitieve beslissing over de tenuitvoerlegging van het EAB wordt bepaald.
Om gegronde medische of gezondheidsredenen kan het openbaar ministerie in zeer uitzonderlijke omstandigheden de effectieve overlevering tijdelijke schorsen wegens ernstige humanitaire redenen.
Zoals hoger al even aangestipt, bestaat er ook de mogelijkheid van een verkorte procedure, wanneer de gezochte persoon onmiddellijk ten aanzien van het openbaar ministerie instemt met zijn overlevering. Deze instemming kan in ieder stadium van de vooraf beschreven procedure worden gegeven, maar kan ook worden ingetrokken tot het tijdstip van de effectieve overlevering. De instemming van de gezochte persoon met zijn overlevering heeft tot gevolg dat het openbaar ministerie onmiddellijk alles in het werk kan stellen met het oog op een spoedige effectieve uitlevering aan de uitvaardigende EU-lidstaat.
Specialiteitsbeginsel:
Het specialiteitsbeginsel, zoals het gehanteerd wordt in de uitleveringsprocedure, bleef ook in de overleveringsprocedure op basis van een EAB gehandhaafd. Concreet houdt dit beginsel in dat een gezochte persoon niet kan worden vervolgd, veroordeeld of van zijn vrijheid beroofd wegens enig andere strafbaar feit dan datgene waarvoor hij werd overgeleverd.
Wanneer een gezochte persoon echter opteert voor de verkorte procedure en instemt met zijn overlevering, stemt hij er eveneens mee in dat hij afziet van de mogelijkheid om beroep te doen op het specialiteitsbeginsel.