Vandaag besliste een Voorzitter van de Correctionele Rechtbank om een zaak in beraad te nemen ( wat wil zeggen: de zaak te bekijken en zijn vonnis te gaan maken), waarbij hij opmerkelijk genoeg meende de pleidooien van de advocaten te kunnen onderbreken, en het proces te kunnen beëindigen om ‘ in beraad te gaan.
Kan dat zomaar ?
Mondeling debat is cruciaal:
Een strafzaak zonder enige vorm van debat of mondelinge behandeling is in principe onwettig, omdat dit in strijd is met fundamentele rechtsbeginselen zoals het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging. Bovendien heeft elke verdachte het essentiële recht om gehoord te worden, zijn standpunt toe te lichten, bewijzen aan te vechten en zich te verdedigen tegen de tenlasteleggingen. Dit impliceert een mondelinge behandeling of debat. Het vermoeden van onschuld wordt gewaarborgd o.m. door de tegenspraak die de beklaagde m.b.t. de vaststellingen van de verbalisanten vermag te voeren, waaronder het al of niet objectief karakter van deze vaststellingen, en door de onpartijdigheid waarmede de rechter de bewijswaarde van deze vaststellingen beoordeelt (Cass. 4 februari 1997, A.C. 1997, nr. 62; 22 juni 1999, A.C. 1999, nr.
386).
Tegenspraak en recht van verdediging:
Het beginsel van de tegenspraak, vormt de belangrijkste component van het recht van verdediging. Zonder tegensprekelijk debat is er immers geen echte verdediging. De volle uitoefening van het recht van verdediging door iedere gedingvoerende partij is een grondbeginsel dat het gehele proces beheerst vanaf de gedinginleidende akte tot het eindvonnis ( zie Rede uitgesproken door J. du Jardin, Procureur-generaal bij het Hof van cassatie, op de plechtige openingszitting van dit Hof op 1 september 2003, https://hofvancassatie.be/pdf/Mercuriales/NL/2003.pdf ).
Krachtens dat beginsel kan een partij niet naar behoren worden berecht wanneer zij haar zaak niet volledig en in alle vrijheid heeft kunnen verdedigen, en wanneer zij het onderwerp van de vordering van de tegenpartij, haar middelen en de tot staving ervan overgelegde stukken niet kent, wat impliceert dat het debat voor de uitspraak op tegenspraak is verlopen; “il n’est de défense que dans la contradiction”.
Kan een rechter daarvan afstappen ?
Dat beginsel is nog nooit betwist. Het is overigens expliciet of impliciet neergelegd in tal van bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek en van het Wetboek van Strafvordering. Men aanvaardt meestal dat dit principe, zoals R. Declercq het schreef, “samen(valt) met het recht van verdediging dat een algemeen rechtsbeginsel is dat geldt voor alle gerechten – en eigenlijk t.o.v.alle procespartijen -, ook al heeft de wetgever de uitoefening ervan niet of niet helemaal of op een verschillende manier geregeld in bepaalde domeinen” (Declercq, R., Beginselen van Strafrechtspleging, Antwerpen, Kluwer, 1999, nr. 1003, en noot 346). Declercq voegt daaraan toe: “er is geen algemeen rechtsbeginsel inzake tegenspraak dat verschillend zou zijn van het algemeen rechtsbeginsel inzake het recht van verdediging” (Zie Cass. 17 juni 1991, A.C. 1990-91, nr. 537; 4 december 1995, A.C. 1995, nr. 522; 14 januari 1999, A.C. 1999, nr. 24; 11 december 2001, P.01.1535.N; 21 mei 2003, P.03.0439.F)