Verbeurdverklaring tot de tegenwaarde:
Bij strafrechtelijke overtreding van het douanerecht, worden vaak de goederen in beslag genomen ( bvb. bij een controle i.g.v. een betrapping ‘heterdaad’). Deze goederen worden dan achteraf verbeurdverklaard.
Stel nu echter dat de goederen niet in beslag zijn genomen ( in een douanestrafzaak, nog steeds), dan voorziet de wet in een systeem dat de dader van het douanemisdrijf veroordeeld wordt tot betaling van een bedrag gelijk aan de tegenwaarde van deze goederen – de verbeurdverklaring.
Wanneer de verbeurdverklaring wordt uitgesproken van goederen die niet in beslag werden genomen ( volledigheidshalve : en deze goederen ook niet meer kunnen worden overhandigd), zegt men dat ‘de tegenwaarde ervan wordt verbeurdverklaard’. Dit betekent dat de veroordeelde die de goederen zelf niet meer kan ‘teruggeven’ bijna altijd veroordeeld wordt tot absurd hoge geldbedragen. Sterker nog: vaak zijn deze verbeurdverklaringen in dezelfde mate bepalend voor de toekomst van een veroordeelde dan de straffen.
Doordat de bedragen van een verbeurdverklaring tot de tegenwaarde zo hoog oplopen zijn dergelijke veroordeling ook vaak louter theoretisch: de bedragen kunnen zelden worden geïnd omwille van de onrealistische omvang ervan ….
Strafsanctie of toch burgerrechtelijk gevolg ?
Traditiegetrouw stelde de rechtspraak vrij unaniem ( van de rechtbanken van eerste aanleg tot het Hof van Cassatie ) dat een veroordeling tot betaling van “de tegenwaarde” van de verbeurd verklaarde goederen bij het niet voorbrengen ervan (niet-wederoverlegging) niet beschouwd als een strafsanctie, maar als een burgerrechtelijk gevolg van de strafrechtelijke veroordeling.
Dat is een niet onbelangrijk detail, want een straf en een burgerrechtelijk gevolg worden helemaal anders geconcipieerd en benaderd in ons rechtssysteem. Er is een wereld van verschil in rechtsbescherming wanneer de strafrechtelijke waarborgen die verbonden zijn aan het uitspreken van een straf van toepassing zijn.
- Een straf moet bijvoorbeeld kunnen worden gemilderd ( aldus ons Grondwettelijk Hof), – en burgerrechtelijk gevolg niet,
- een burgerrechtelijk gevolg laat geen ruimte voor een veroordeling met uitstel van tenuitvoerlegging, een straf doorgaans wel,
- etc etc
Voor verdachten en veroordeelden is het dus ongunstig als een verbeurdverklaring tot de tegenwaarde aanzien wordt als een burgerrechtelijk gevolg ven een douanemisdrijf….
Hoe deze rechtspraak werd onderbouwd en gevestigd:
Het Europese Hof van Justitie velde op 4 maart 2020 een belangrijk arrest ( het zgn. ‘arrest Schenker’), waarin wordt geoordeeld dat de veroordeling tot de verbeurdverklaring van de tegenwaarde een sanctie uitmaakt in de zin van artikel 42.1 DWU en een dubbele sanctionering disproportioneel is.
Europees lijkt men dus wel het standpunt toegedaan dat de veroordeelde moet kunnen rekenen om de strafrechtelijke waarborgen zoals voormeld, wanneer hij veroordeeld wordt tot het bedrag de tegenwaarde ( de straf moet proportioneel zijn, en individualiseerbaar ….).
Desalniettemin oordeelde ons eigen Hof van Cassatie bij arrest van 16 april 2024 (AR P.23.1652.N) dat de veroordeling tot de betaling van de tegenwaarde van de verbeurd verklaarde goederen als dusdanig geen verbeurdverklaring per equivalent inhoudt van de niet-aangehaalde goederen en evenmin preventief of repressief van aard is, maar ertoe strekt de schade van de Belgische Staat te vergoeden die specifiek volgt uit het niet-bijbrengen van de verbeurd verklaarde goederen.
Cassatie oordeelt dat een veroordeling tot de tegenwaarde geen straf naar Belgisch recht. Het zegt met name dat die veroordeling tot de tegenwaarde een soort schadevergoeding is ( een toepassing van de uit de artikelen 1382 en 1383 oud Burgerlijk Wetboek) omdat elke schuldenaar van een zaak als schadevergoeding de tegenwaarde ervan moet betalen indien hij ze heeft onttrokken aan zijn schuldeiser of wanneer hij door zijn toedoen tekort komt aan de verplichting om de zaak te leveren.
Was dit eigenlijk een omzeiling van het legaliteitsbeginsel ?
Het is altijd ietwat vreemd geweest dat die verbeurd verklaring tot de tegenwaarde niet als als een straf aanzien werd, als men de criteria gaat bekijken die Europese rechtspraak hanteert om te besluiten wanneer een genomen maatregel een straf uitmaakt. Over deze criteria volgt wellicht meet in een apart artikel.
Advocaten en academici ( ook magistraten) uitten dan ook regelmatig kritiek op het burgerrechtelijk statuut van de verbeurdverklaring tot de tegenwaarde.
Gedacht werd dat dit vreemde standpunt, dat eigenlijk een negeren van de eerder in de rechtspraak gevestigde criteria inhield, werd ingegeven om ‘een mouw te passen’ aan het feit dat de douanewetgeving niet voorziet in een bepaling tot verbeurdverklaring bij equivalent ( die wel bestaat in het reguliere strafrecht (zie ert. 43bis Sw).
Dat men dat ( vanuit het standpunt van de Belgische Staat of de vervolgende partij althans) ziet als een tekortkoming, valt te begrijpen. Dat men dit tracht ‘op te lossen’ door aan een aantal bepalingen te wringen tot het schoentje past, veel minder ….
Met name omzeilt men op die manier het legaliteitsbeginsel door de wetgever als het ware woorden in de mond legt die de wetgever nooit geuit heeft en wellicht nooit heeft willen uiten.
Dat is intellectueel oneerlijk, maar ook gevaarlijk omdat het in strijd is met de scheiding der machten ….
Ten gevolge van deze jurisprudentiële constructie kan de strafrechter zich bovendien niet beroepen op de strafrechtelijke waarborgen die verbonden zijn aan het uitspreken van een straf. Hij moest dus noodgedwongen altijd en in elke zaak de integrale terugbetaling opleggen aan partijen, zonder de mogelijkheid om te milderen, of te matigen matigen…. En zo komt man dan tot verbeurdverklaarde bedragen met een ‘theoretisch karakter’ omdat iedereen weet dat ze nooit ofte nimmer geïnd zullen worden.
Is de bocht ingezet ?
Recenter nog, op 30 januari 2025, kwam een arrest tussen van het Grondwettelijk Hof dat zich boog over de bijkomende straf van de verbeurdverklaring zoals gestipuleerd in artikel 30, vierde lid, van de wet van 21 december 2009 betreffende het accijnsstelsel van alcoholvrije dranken en koffie.
Het Grondwettelijk Hof stelt in dit arrest opnieuw dat de verbeurdverklaring in beginsel verplicht is. Evenwel, zegt het Grondwettelijk Hof in dit arrest, in zoverre het de rechter ertoe verplicht de verbeurdverklaring uit te spreken van de accijnsproducten die het voorwerp van het misdrijf uitmaken wanneer die straf dermate afbreuk doet aan de financiële toestand van de persoon aan wie ze is opgelegd dat die persoon aan een onredelijk zware straf zou worden onderworpen, schendt de getoetste wetsbepaling de artikelen 11 en 16 Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM en artikel 17, eerste lid, Handvest Grondrechten EU.
Het Hof van Cassatie boborduurde verder op deze rechtspraak in een arrest van 7 oktober 2025 (Cass. 7 oktober 2025, AR P.25.0081.N), en zegde duidelijk dat de rechter moet afzien van het opleggen van de verbeurdverklaring van de accijnsgoederen wanneer die bijkomende bestraffing tot gevolg zou hebben dat daardoor aan een beklaagde een onredelijk zware straf zou worden opgelegd.
Aldus moet iedere rechter, voor hij of zij iemand veroordeelt tot het bedrag van de tegenwaarde van de goederen, nagaan of daarmee aan een beklaagde geen onredelijk zware straf zou worden opgelegd. Dat is nieuw.
Maar niet alleen dat, het Hof van Cassatie gaat nog verder:
In twee uiterst recente arresten die dateren van oktober 2025 (AR P.25.0842.N voor wat betreft een arrest van 7 oktober ’25 – en AR P.23.0785.N voor wat betreft een arrest van 21 oktober 2025) dat de strafrechter naast de vermogenstoestand tevens de volgende criteria in de weegschaal kan leggen:
- de persoonlijkheid van de beklaagde en zijn rol bij de feiten,
- de aard en de zwaarwichtigheid van het bewezen verklaarde misdrijf
en
- het door de beklaagde nagestreefde voordeel,
zonder dat de rechter noodzakelijk al die elementen bij zijn beoordeling moet betrekken.
Dat verandert natuurlijk de ganse zaak !
Als de rechter, om te vermijden dat een straf onredelijk zwaar zou zijn, of te zwaar zou wegen op de financiële toestand van degene die hij veroordeelt, beslist om geen verbeurdverklaring van de accijnsgoederen op te leggen, moet die veroordeelde die goederen ook niet teruggeven. Omdat er geen verbeurdverklaring is in dat geval, heeft de Belgische Staat logischerwijs dan ook geen recht op schadevergoeding bestaan wegens het louter niet-voorbrengen van de goederen, zodat er geen grond is om die beklaagde te veroordelen tot de betaling van de tegenwaarde ervan. Die veroordeling is enkel een burgerrechtelijk gevolg in geval van de onmogelijke uitvoering van de verbeurdverklaring.
Aldus lijkt een keerpunt te zijn bereikt, en een heikel punt in het douane strafrecht te zijn veranderd. Het legaliteitsbeginsel wordt weer meer gerespecteerd en de onrechtvaardige situaties van de theoretisch verbeurdverklaarde bedragen worden vermeden. En dat kan alleen maar toegejuicht worden!