Het Hof van Cassatie velde op 23 september 2025 een interessant arrest over de (niet) toepassing van de redelijke termijn in strafzaken, heel specifiek in de context van een zgn. ‘SKY-ECC dossier’ ( P.25.0877.N/1).
In de rechtspraktijk vandaag lijkt het recht op berechting binnen een redelijke termijn alleszins van zeer groot belang. Het wekt dan ook weinig verbazing dat (de schending van) dit recht al geruime tijd de meest ingeroepen bepaling voor het Europees Hof voor de Rechten van de Mens is (C. GRABENWARTER, Europäische Menschenrechtskonvention: ein Studienbuch, München, Beck, 2003, 44) . Meer bepaald zou reeds in 2005 ongeveer 60% van de zaken die bij het Europees Hof aanhangig werden gemaakt betrekking hebben op een overschrijding van de redelijke termijn ( S. TRECHSEL, Human Rights in Criminal Proceedings, New York, Oxford University Press, 2005, 135). Vandaag de dag ligt dat percentage wellicht nog hoger…..
Wat is de ‘redelijke termijn in strafzaken’ ?
De redelijke termijn in strafzaken mag niet verward worden met de verjaring in strafzaken.
Bekeken vanuit het oogpunt van de doelstelling vertoont de redelijke termijn een belangrijk verschilpunt met de verjaring. Het is interessant één en ander nader te bekijken voordat we het Cassatie-arrest van 23 september 2025 tegen het licht houden.
De verjaring van de strafvervolging bestaat omwille van het algemeen maatschappelijk belang. Als er té veel tijd is verstreken sedert het plegen van strafbare feiten, heeft het vervolgen en bestraffen van misdrijven geen sociaal nut meer omdat de herinnering aan de door het misdrijf gestoorde rechtsorde is uitgewist en de bewijsvoering ter zake al te moeilijk is geworden (M. DE SWAEF, “De redelijke verjaringstermijn” in H.-D. BOSLY, R. BÜTZLER, S. SONCK, M. CHARLIER, R. DECLERCQ, J. DELVA, J. SMETS, A. DE NAUW, M. DE SWAEF, P. DE VROEDE, J. D’HAENENS, L. DUPONT, C. ELIAERTS, F. ERDMAN, M. FRANCHIMONT, F. GORLÉ, Ph. HANSE, D. HOLSTERS, G. KELLENS, P. MARCHAL, A. MEEÙS, J. MESSINNE, Ph. QUARRÉ, J. SACE, A. VANDEPLAS, R. VAN DER STEICHEL, G. VANDER ZWALMEN, J. VERHAEGEN, R. VERSTRAETEN en B. SPRIET (eds.), Liber Amicorum Marc Châtel, Antwerpen, Kluwer, 1991, 119).
Let bygones be bygones…
Terwijl de verjaring van openbare orde is omdat ze geacht wordt te bestaan in het belang van de maatschappij (Zie hierover J. MEESE, De duur van het strafproces. Onderzoek naar de termijn waarbinnen een strafprocedure moet of mag worden afgehandeld, Gent, Larcier, 2006, 69), is de vereiste van berechting binnen een redelijke termijn een waarborg die voornamelijk bestaat in het belang van de verdachte.
Dat de redelijke termijn bestaat in het belang van de verdachte blijkt reeds uit het feit dat het recht opgenomen is in het EVRM en het IVBPR en derhalve als fundamenteel recht wordt beschouwd. Hiermee hebben de opstellers van deze verdragen te kennen gegeven dat het belang van de verdachte hier vooropstaat (G.J.M. CORSTENS, “De rol van de tijdsfactor in het strafrecht”, RM Themis 1986, 445). De belangrijkste bestaansreden van het principe dat een eerlijk proces binnen redelijke termijn moet plaatsvinden is dan ook de idee om de mate van onzekerheid waarmee een verdachte naar aanleiding van een tegen hem ingestelde strafvervolging moet leven, zoveel mogelijk te beperken ( L. DECLERCQ , “De redelijke termijn in strafzaken: artikel 6 alinea 1 EVRM” in A. VANDEPLAS en P. ARNOU (eds.),evernals F. Lambrechts, “De achterstand in gerechtszaken en de rechten van de mens”, R.W., 1984-85, p. 795).
Een berechting binnen een redelijke termijn is – ten tweede – ook in het belang van de rechtszekerheid en de goede rechtsbedeling ( L. DECLERCQ, “De redelijke termijn of de onredelijke vertraging in strafzaken: artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Rede uitgesproken op de plechtige openingszitting van het hof van beroep te Gent op 1 september 1988”, RW 1988-89, 378 en G.J.M CORSTENS, “De rol van de tijdsfactor in het strafrecht”, RM Themis 1986, 445) .
Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens wees er ook reeds op dat een berechting binnen een redelijke termijn noodzakelijk is voor de effectiviteit en de geloofwaardigheid van justitie ( zie J. MEESE, “De aanvang van de redelijke termijn bij voortgezette misdrijven: het Hof van Cassatie op zoek naar nieuwe veroordelingen in Straatsburg?”, noot onder Cass. 21 maart 2006, NC 2006, 320) .
In tegenstelling tot de verjaring heeft de redelijke termijn geen vaste duur ( F. DERUYCK, “De overschrijding van de redelijke termijn en de onderzoeksgerechten: Let’s get serious” in F. DERUYCK en M. ROZIE (eds.), Het strafrecht bedreven: Liber Amicorum Alain De Nauw, Brugge, die Keure, 2011, 171).
Rekening houdend met de concrete omstandigheden eigen aan iedere zaak, zal de berechting van de zaak dus soms ‘langer mogen duren’ dan andere zaken alvorens de termijn onredelijk wordt.
Wanneer begint de ‘redelijke termijn in strafzaken’ ? Twistappel tussen het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en het Hof van Cassatie.
Om de redelijke termijn te kunnen beoordelen is het uiteraard van groot belang om te weten wanneer deze termijn begint te lopen, (en eventueel ook wanneer hij eindigt). Over het beginnen van de redelijke termijn heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens door de jaren heen een standpunt ontwikkeld.
Dat was ook nodig, want het eigenlijke startpunt van de redelijke termijn werd niet expressis verbis in het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens ( noch in het BUPO) bepaald. Daardoor moest de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens het precieze ogenblik van aanvang preciseren ( J. MEESE, “De aanvang van de redelijke termijn bij voortgezette misdrijven: het Hof van Cassatie op zoek naar nieuwe veroordelingen in Straatsburg?”, noot onder Cass. 21 maart 2006, NC 2006, 318 en J. MEESE, Overschrijding van de redelijke termijn, Gent, Larcier, 2008, 8).
Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens hangt de stelling aan dat het vertrekpunt van de redelijke termijn het moment is dat de verdachte weet dat hij zich tegen een strafrechtelijke aanklacht moet verdedigen (C. VAN DEN WYNGAERT, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, Antwerpen, Maklu, 1999, 284 zie ook bv. E.H.R.M., 18.03.1990, B/ Oostenrijk, Publ. Cours, serie A, Vol. 175, §49 en Cass., 22.10.1986, R.W. 198788, p. 535; Brussel, 20.12.1989, RDP, 1990, p. 799; Brussel, 15.10.1990, J.T., 1991, p. 242).
De “redelijkheid” van de termijn wordt dan ook soeverein door de feitenrechter beoordeeld (R. Verstraeten, Handboek Strafvordering, 3″ druk, Maklu, 1420).
Men kan dus besluiten dat er geen algemeen precies vertrekpunt van de redelijke termijn is dat voor alle zaken geldt. Integendeel, elke zaak dient afzonderlijk te worden bekeken om na te gaan wat nu het precieze vertrekpunt is dat in aanmerking moet worden genomen voor de beoordeling van de redelijke termijn (C. VAN DEN WYNGAERT, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, Antwerpen, Maklu, 1999, 284) .
Het Hof van Cassatie volgt deze stelling niet. In een arrest uit 1995 werd namelijk bepaald dat de redelijke termijn niet kan beginnen lopen vóór de datum van het laatste feit volledig ( Cass. 21 november 1995, Arr.Cass. 1995, 1025, Jb.Mens. 1995-96, 415, noot S. DE GREEF en Rev.dr.pén. 1996, 970.). Hierbij werd door een arrest van de Franstalige afdeling van het Hof van Cassatie nog aan toegevoegd dat de redelijke termijn niet kan beginnen te lopen vóór de datum van het laatste feit van een reeks die een voortgezet misdrijf uitmaakt (Cass. 17 mei 2000, Arr.Cass. 2000, 930 en Rev.dr.pén. 2002, 577, noot F. KUTY). De Nederlandstalige afdeling van het Hof van Cassatie sloot zich met het arrest van 21 maart 2006 aan bij deze zienswijze van de Franstalige afdeling( Cass. 21 maart 2006, AR P.05.1701.N) . Met dit arrest van 21 maart 2006 is de uniformiteit tussen de rechtspraak van het Hof van Cassatie en de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens definitief zoek. De stelling van het Hof van Cassatie dat de redelijke termijn pas een aanvang zou kunnen nemen nadat het laatste feit van een reeks die een voortgezet misdrijf uitmaakt is gepleegd, is immers niet verzoenbaar met zowel de visie van het Europees Hof als met de doelstelling van de redelijke termijn. Dit is bovendien ook zo voor de meer algemene regel dat de redelijke termijn niet kan beginnen lopen vóór de datum van het laatste feit, zoals bepaald door het Hof van Cassatie in het arrest van 21 november 1995 ( MEESE, J., “De aanvang van de redelijke termijn bij voortgezette misdrijven: het Hof van Cassatie op zoek naar nieuwe veroordelingen in Straatsburg?”, noot onder Cass. 21 maart 2006, NC 2006, 32).
Wie won het pleit ?
Eerst en vooral staat de voormelde visie van het Hof van Cassatie haaks op de doelstelling van de redelijke termijn. Het is namelijk volkomen onlogisch waarom de redelijke termijn, net zoals de verjaring, pas een aanvang zou kunnen nemen bij het plegen van het laatste feit, of waarom de aanvang van de redelijke termijn zou moeten worden uitgesteld als er sprake is van een voortgezet misdrijf.
Zoals eerder besproken, is het doel van de redelijke termijn om een nodeloze belasting voor de verdachte te vermijden door het aanslepen van een strafrechtelijke procedure.
De verdachte die op de hoogte is van een tegen hem lopende strafvervolging, ook al pleegt hij nog nieuwe feiten, heeft altijd recht op een behandeling van die strafvordering binnen een redelijke termijn. Dit is bovendien geen gewoon recht voor de verdachte, maar een fundamenteel recht ( Cass. 29 juni 1999, Arr.Cass. 1999, 986, RW 2000-01, 125, noot W. MAHIEU, T.Strafr. 2000, 502, noot J. ROZIE en JLMB 2000, 502, noot F. KUTY. Zie ook Cass. 6 februari 2001, Arr.Cass. 2001, 220 en Verkeersrecht 2001, 239).
Ook is het een beetje raar dat in de visie van het Hof van Cassatie rekening moet worden gehouden met het feit of het strafbaar feit al dan niet bewezen is verklaard. Een feit dat niet bewezen wordt verklaard, kan namelijk geen deel uitmaken van een voortdurend misdrijf, terwijl uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens duidelijk blijkt dat het van geen enkel belang is of de inbeschuldigingstelling die aanleiding heeft gegeven tot de aanvang van de redelijke termijn, betrekking had op een achteraf bewezen verklaard feit ( EHRM 26 september 2000, Guisset t. Frankrijk, ICJ Reports 2000-IX, § 79.).
Een laatste reden om te concluderen dat het standpunt van het Hof van Cassatie onlogisch en artificieel is, kan gevonden worden in het feit dat deze visie zal leiden tot de uitholling van de redelijke termijn. Dit komt doordat de rechtspraak, meestal met de bedoeling de verjaring van de strafvordering te vermijden, het begrip ‘voortgezet misdrijf’ zeer soepel interpreteert. Hierdoor kunnen in de visie van het Hof van Cassatie belangrijke periodes van stilstand post factum worden toegedekt door de loutere vaststelling dat het onderzochte misdrijf feitelijk een voortgezet misdrijf uitmaakt ( J. MEESE, “De aanvang van de redelijke termijn bij voortgezette misdrijven: het Hof van Cassatie op zoek naar nieuwe veroordelingen in Straatsburg?”, noot onder Cass. 21 maart 2006, NC 2006, 322).
Uiteindelijk heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens het pleit dan zelf beslecht met het arrest Declerck t. België ( EHRM 25 september 2007, Declerck t. België, NJW 2007, 841, noot N. PEETERS, JT 2007, 741, noot F. KUTY en T.Strafr. 2007, 418). Sinds dit arrest is het duidelijk dat de visie van het Hof van Cassatie betreffende de aanvang van de redelijke termijn geen genade kan vinden bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens.
In een arrest van 23 mei 2017 van het Hof van Cassatie, dat een beslissing vernietigde omdat daarin was aangenomen dat de redelijke termijn bij voortgezette misdrijven voor het geheel van de vervolgde misdrijven slechts een aanvang neemt op het tijdstip waarop de beklaagde wordt beschuldigd van het laatst gepleegde misdrijf, conformeerde het Hof van Cassatie zich uiteindelijk aan de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM).
Wat nu met ‘Sky ECC-zaken’ ? Een theoretische toetsing:
In het kader van het kraken van de geanonimiseerde berichtendienst SKY ECC werd een heel groot aantal huiszoekingen verricht op 09 maart 2021. Bijna alle gebruikers kregen toen politie aan de deur op zoek naar hun toestel.
Dat is 4,5 jaar gelden. Heeft toen de redelijke termijn in strafzaken een aanvang genomen voor wat betreft de latere vervolging van deze gebruikers voor andere ( meestal druggerelateerde) feiten ?
Het Startpunt van de ‘redelijke termijn in strafzaken’ hangt af van de concrete omstandigheden van de zaak. In sommige gevallen kan dat de aanhouding van de verdachte zijn, indien daarbij voor het eerst de beschuldigingen ten aanzien van die verdachte werden geformuleerd. Het kan echter ook vroeger zijn, bijvoorbeeld bij de aanvang van het gerechtelijk onderzoek.
Het Europees Hof neemt ook het standpunt in dat er van een beschuldiging reeds sprake kan zijn wanneer door de vervolgende instantie een transactievoorstel wordt gedaan teneinde verdere strafrechtelijke vervolgingen te voorkomen ( EHRM 27 februari 1980, Deweer t. België, ECHR, Ser. A, vol 35). In deze zaak was België betrokken doordat de procureur des Konings van Leuven aan een slager, wegens overtreding van de prijzenwetgeving, een minnelijke schikking had voorgesteld en tegelijkertijd de sluiting van de zaak had bevolen totdat de slager het hem gevraagde bedrag zou hebben betaald.
In België waarborgde de wetgever ‘de redelijke termijn’ door de invoeging van artikel 21ter V.T.Sv. (thans art.27) dat stelt:
“indien de duur van de strafvervolging de redelijke termijn overschrijdt kan de rechter de veroordeling bij eenvoudige schuldigverklaring uitspreken of een straf uitspreken die lager kan zijn dan de wettelijke minimumstraf. Wanneer de veroordeling bij eenvoudige schuldigverklaring wordt uitgesproken, wordt de verdachte veroordeeld in de kosten en, zo daartoe aanleiding bestaat, tot teruggave. De bijzondere verbeurdverklaring wordt uitgesproken”.
Het Hof van Cassatie heeft op 25 januari 2024 nog een interessante uitspraak gedaan inzake het redelijketermijnvereiste, die een interessante zienwijze vertolkte mh.o.o. op de toepassing van de ‘redelijke termijn’ in SKY ECC -zaken.
Het Hof stelde ( herhaalde) dat de vraag of de redelijke termijn is overschreden, in elke zaak afzonderlijk moet worden beoordeeld volgens de feitelijke gegevens eigen aan de zaak en volgens de criteria van de complexiteit van de zaak, de houding van de gerechtelijke overheden, de houding van de betrokkene en het belang dat de zaak voor die betrokkene heeft. De rechter moet niet noodzakelijk alle criteria in zijn beoordeling betrekken, indien één of meerdere criteria op zich reeds doorslaggevend is of zijn. Het Hof voegde toe dat bij die beoordeling moet met de procedure in haar geheel rekening worden gehouden ( Arrest van 25 januari 2022 (P.21.1384.N)).
Vanuit die optiek zou men kunnen verwachten dat de huiszoekingen die plaatsvonden op 09 maart 2021 het moment zou zijn geweest waarop de redelijke termijn haar aanvang heeft genomen. Immers zijn de latere vervolgingen voortgekomen uit de berichten aangetroffen in de toestellen die alsdan in beslag werden genomen. De verwachting was dan ook dat het Hof zou menen dat een andersluidend oordeel zou betekenen dat met de procedure in haar geheel rekening geen rekening werd gehouden.
Bovendien had het Hof eerder al gesteld dat het moet nagaan of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord (Arrest van 25 januari 2022 (P.21.1621.N)). Men zou kunnen argumenteren dat de mening als zouden de huiszoekingen de personen die er het voorwerp van uitmaakten niet hebben verontrust onmogelijk verantwoord kan worden. Menen dat de voormelde zoekingen en het uitlezen van de voormelde toestellen niet de aanvang waren van de latere onderzoeken, leek ook moeilijk voor te stellen …. En toch ….
Beslissing van het Hof van Cassatie van 23 september 2025: nieuwe twistappel met het Europees Hof ?
Het Hof van Cassatie lijkt met haar voormelde rechtspraak enigszins komaf te maken, waar zij in haar arrest van 23 september 2025 stelt dat:
- De rechter bepaalt onaantastbaar het tijdstip waarop een beklaagde zich
dient te verdedigen over de tegen hem ingestelde strafvervolging en dat als
aanvangspunt dient voor de berekening van de redelijke termijn.
- Uit het loutere feit dat een strafvervolging voortvloeit uit andere
strafvervolgingen waarin bij die beklaagde ook onderzoekshandelingen werden
verricht, volgt niet dat de rechter noodzakelijk moet aannemen dat het
aanvangspunt voor de berekening van de redelijke termijn voor de laatst
ingestelde strafvervolging zich situeert op de datum van de
onderzoekshandelingen die werden verricht in het kader van de strafvervolgingen
waaruit die laatste strafvervolging voortvloeit en dit ongeacht of voor al die
strafvervolgingen communicaties via SKY ECC van belang waren.
Men kan toch moeilijk anders dan vaststellen dat het Hof met deze motivering een bocht neemt met haar eerdere stelling als moet met de procedure in haar geheel rekening worden gehouden ( Arrest van 25 januari 2022 (P.21.1384.N)).
Het Hof stelt verder in haar motivering dat:
- Bepalend is of de feiten die het voorwerp zijn van de verschillende
strafvervolgingen dezelfde zijn.
- In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
Het is nu wachten wat het standpunt van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens zal zijn in deze. Moet men niet rekening houden met de procedure in haar geheel. En moet daarbij de huiszoeking die aanleiding gaf tot het vergaren van het bewijsmateriaal waarop een andere, latere zaak is gestoeld daar dan geen deel van uitmaken ?
Het Hof van Cassatie lijkt een bocht te maken, maar zal zich moeten schikken naar het Standpunt van het Europees Hof.
Immers werd de waarborg van berechting binnen een redelijke termijn werd opgenomen in het EVRM, en nadien ook in het Internationaal Verdrag inzake burgerlijke en politieke rechten ( Internationaal Verdrag inzake burgerlijke en politieke rechten gesloten te New York op 19 december 1966, goedgekeurd bij wet van 15 mei 1981 (BS 6 juli 1983)).
Wel is het IVBPR in veel mindere mate afdwingbaar doordat er geen toezichthoudend orgaan over de toepassing ervan waakt, daar waar het EVRM dit wel heeft met het Europees Hof voor de Rechten van de Mens.
Het Europees Hof onafhankelijk werkt van de nationale gerechtelijke instanties en de uitspraken van het Hof bindend zijn voor de nationale staten. Naast de repressieve werking van de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, gaat van de jurisprudentie van dit Hof ook een sterke preventieve werking uit, omdat de nationale overheden een internationale sanctie willen vermijden (P. BEKAERT, “Toepassing van het EVRM door de Belgische rechtbanken op het vlak van burgerlijk recht en strafrecht” in F. MOEYKENS (ed.), De Praktijkjurist VII, Gent, Academia Press, 2003, 17).
Mogelijks is vanuit die optiek een nieuwe twistappel met ons hoogste rechtscollege in de maak ?