Verontwaardigt U, advocaten ! Verontwaardigt U, burgers ! Cassatie beperkt uw (recht op) verdediging

Het Hof van Cassatie velde op 14 maart 2023 een opvallend en brutaal arrest. Het Hof meende in voormeld arrest dat het geen probleem is dat de pleitduur die advocaten nodig achten voor de verdediging van hun zaak, beperkt wordt door de rechter ( in dit geval de drie raadsheren van het Kamer van Inbeschuldigingstelling te Gent die meenden dat 10 minuten ruim voldoende pleitduur was voor een advocaat die voor hen verscheen).

De advocaat verontwaardigde zich, liet de beperking akteren, en tekende een voorziening in cassatie aan. Het Hof van Cassatie zag evenwel geen probleem in de beperking van zijn pleitduur, en oordeelde:

2. Noch artikel 5.4 EVRM, noch de bepalingen van de Voorlopige Hechteniswet noch de algemene rechtsbeginselen van het recht op toegang tot de rechter, het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging verlenen aan een raadsman die een inverdenkinggestelde bijstaat voor het onderzoeksgerecht dat moet oordelen over de handhaving van de voorlopige hechtenis, het recht te pleiten zolang als hijzelf nodig acht voor de verdediging van de inverdenkinggestelde.

3. Het onderzoeksgerecht kan in het licht van de korte termijn waarbinnen het in zaken van voorlopige hechtenis uitspraak moet doen, de verplichting die op het onderzoeksgerecht rust om te antwoorden op regelmatig ingediende conclusies en het herhaald karakter van de controle door de onderzoeksgerechten en meer in het algemeen de vereiste van een behoorlijke rechtsbedeling, de pleitduur van een raadsman van een inverdenkinggestelde beperken. Bij die beperking moet rekening worden gehouden met de concrete omstandigheden van de zaak zoals onder meer de aard en de complexiteit ervan, de aan de orde zijnde betwistingen, het al dan niet ingediend zijn van conclusies en de stand van de rechtspleging. De beperking mag bovendien ook niet dermate zijn dat ze elk mondeling verweer feitelijk onmogelijk maakt.

4. Een partij die van oordeel is dat de haar toegemeten pleitduur te kort is, dient voor het onderzoeksgerecht concreet aan te geven op welke wijze daardoor haar recht van verdediging is miskend.

5. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.

6. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eiser voor het onderzoeksgerecht concreet heeft aangegeven op welke wijze de beperking van de pleitduur zijn recht van verdediging heeft aangetast.

U vind het arrest op https://juportal.be/content/ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230314.2N.24/NL . Ik vestig de aandacht op dit arrest omdat hierin een miskenning te zien valt van de vrijheid van het pleidooi van de advocaat.

Laat ons beginnen bij het begin: de advocaat is vrij in zijn pleidooi. Artikel 444 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt immers uitdrukkelijk dat “de advocaat vrij zijn ambt uitoefent ter verdediging van het recht en van de waarheid”. Het artikel wordt vooral aangehaald om de inhoudelijke vrijheid van pleidooien te waarborgen. Een advocaat moet vrij kunnen zeggen wat hij wil.

Dit recht om “vrijuit te spreken” werd nog uitdrukkelijk bevestigd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in een arrest van 21 maart 2002, waarin bevestigd werd dat een advocaat in procedurestukken vrijuit kritiek moet kunnen uitoefenen op het openbaar ministerie, mede gelet op de door artikel 10 EVRM gewaarborgde vrijheid van meningsuiting.

In het strafwetboek is dit principe van de immuniteit van het pleidooi op een ietwat meer genuanceerde wijze uitgewerkt in artikel 452 van het Strafwetboek.

Uitingen van een advocaat ter verdediging van zijn cliënt vallen onder de immuniteit van het pleidooi en het recht op verdediging (ook indien deze buiten de rechtsprocedure werden geformuleerd).

Het Strafwetboek voorziet dat een advocaat een relatieve strafrechtelijke immuniteit geniet (‘de immuniteit van het pleidooi’) voor “voor de rechtbank gesproken woorden of aan de rechtbank overlegde geschriftenwanneer die “op de zaak of op de partijen betrekking hebben” (artikel 452, lid 1 Sw.).

Ook uitingen over personen die geen partij zijn/waren in de zaak vallen onder deze immuniteit, voor zover de stellingnames in het belang van de verdediging van de cliënt(en) zijn.

De vrije meningsuiting van een advocaat in het kader van de uitoefening van zijn beroep is fundamenteel. Volgens het Europees Hof voor de Rechten van de Mens geniet een advocaat een bijzonder hoge bescherming van de expressievrijheid bijvoorbeeld wanneer kritiek in verband met een rechtsprocedure wordt geuit via de media. Ook de op 3 juli 2020 aangepaste deontologische regels bevestigen dat in Afdeling III.5.2 Media van de Codex Deontologie voor Advocaten.

Toch heeft het Hof van Cassatie op 22 juni 2021 nog een arrest uitgesproken waarin geoordeeld werd dat een advocaat die een lid van het openbaar ministerie tijdens de debatten bedreigde hiervoor wel degelijk strafrechtelijk kan vervolgd worden, ongeacht de bescherming van artikel 10 EVRM, en ongeacht de immuniteit van het pleidooi zoals voorzien in artikel 452 Sw. Het Hof van Cassatie verwierp daarmee een cassatieberoep tegen een eerder arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen.

Opmerkelijk, want advocaten moeten al het mogelijke doen om de rechten van hun cliënt te waarborgen. De advocaten hebben een fundamentele rol in onze rechtstaat. Als tussenpersoon tussen burger en gerecht hebben ze zelfs een sleutelrol. Zij moeten vrij zijn om in het kader van de behandeling van een zaak kritiek te uiten op de speurders, op de onderzoeksrechter en/of op het openbaar ministerie, zelfs als dit gebeurt in ongepaste of denigrerende bewoordingen.

Er is echter ook een grens aan deze vrijheid van pleidooi, en het overschrijden van deze grens kan door de strafrechter beteugeld worden voor zover de evenredigheid wordt geëerbiedigd tussen het aangewende middel en het beoogde doel en de beperking verantwoord is op grond van relevante en toereikende motieven.

De vrijheid van het pleidooi wordt dus begrensd. dat is een gevaarlijk gegeven, zeker nu het lijkt te gaan om de bewoordingen, die vaak een kwestie van stijl of beleefdheid zijn. Stijl en beleefdheid zijn geenszins onbelangrijk te noemen, maar zijn evident minder belangrijk dat de vrijheid van pleidooi.

Het is vandaag belangrijk te benadrukken dat wellevendheid een essentieel gegeven is voor een advocaat. De debatten voor rechtbanken verruwen de laatste jaren, wat betreurenswaardig is. Een argument laat zich niet verzwakken door het te verwoorden als

het Openbaar Ministerie vergaloppeert zich een beetje daar waar zij stellen dat …..” eerder dan het Openbaar Ministerie ‘deloyaal’ of erger te betittelen.

De verruwing gaat ook verder dan alleen de pleidooien. Ook op procedurevlak merken we een aantal opmerkelijke tendensen. Waar er in het hele jaar 2019 slechts 7 wrakingsprocedures voor het Hof van Beroep te Antwerpen belandden, zijn er in 2022 niet minder dan 18 wrakingsprocedures tot bij het Antwerpse Hof gekomen ( cijfers uit de toespreking van de advocaat-stagiairs op het Hof van Beroep te Antwerpen op 01.09.2023).

Welke middelen een advocaat aanwendt in een strafzaak kan door niemand anders dan hemzelf worden beoordeeld. Zoals reeds gesteld is een advocaat de belangrijke tussenpersoon tussen burger en gerecht. Het gegeven dat een verdachte – die dus nog onschuldig is- vaak onder de loep genomen wordt door een quasi-volledig staatsapparaat ( Openbaar Ministerie, politie, belastingdiensten, hulp van deskundigen ….) maakt deze taak belangrijk, nobel en eenzaam. Het maakt ook dat in strafzaken een advocaat zich niet blootstelt aan mogelijke vorderingen voor ‘rechtsmisbruik’.

En desalniettemin meent het Hof van Cassatie nu dat de pleitduur van een advocaat beperkt mag worden ?

Nochtans werd bij de invoering van de dwingende conclusietermijnen door het invoeren van art.152 in het Wetboek van strafvordering ( door de Wet van 5 februari 2016 tot wijziging van het strafrecht en de strafvordering en houdende diverse bepalingen inzake justitie, de zgn. Potpourri II wet) uitdrukkelijk rekening gehouden met de vrijheid van pleidooi en gesteld dat de dwingende conclusietermijnen geenszins de vrijheid van pleidooi konden beperken. Art.152 Sv. ontkracht geenszins de mogelijkheid om middelen mondeling uiteen te zetten in pleidooien ( Parl. St., Kamer, 2015-2016, DOC 54-1418/001, pp. 69-70; DOC 54-1418/005, p. 113).

Bovendien werd verklaard dat « op de meest adequate wijze de principes van het vrije woord ter zitting en de gelijkheid van wapens met betrekking tot de vordering van de strafmaat met elkaar [worden verzoend]. [De] verdediging [heeft] het laatste woord » (Parl. St., Kamer, 2015-2016, DOC 54-1418/005, p. 113).

Helaas is deze bepaling niet van toepassing in de onderzoeksgerechten ( en het besproken arrest van 14 maart 2023 gaat over een voorziening in cassatie tegen een arrest van de Kamer van Inbeschuldigingstelling), hetgeen overigens door ons Grondwettelijk Hof niet als een schending van het gelijkheidsbeginsel wordt gezien ( GwH 52/ 2017, 11 mei 2017).

De discussie over het beperken van debatten woedt niet alleen bij ons. Vaak wordt verwezen naar de praktijk voor het Europese Hof van Justitie, waar strikte regels gelden voor de omvang van processtukken. De ‘praktische aanwijzingen voor de partijen inzake bij het hof aangebrachte zaken’ verwachten, afhankelijk van het type zaak, een limiet van 20 tot 30 bladzijden voor verzoekschriften of verweerschriften van de partijen, en een 10-tal bladzijden voor replieken. Maar die procedures verschillen van bodemprocedures voor de nationale feitenrechters.

Dan lijkt het voor de hand te liggen dat gekeken wordt naar de situatie in Nederland. Daar heeft de Hoge Raad op 3 juni 2022 de beperkingen die de procesreglementen van de hoven van beroep stellen aan de omvang van processtukken in burgerlijke zaken akkoord bevonden. In de regel mogen conclusies er niet langer zijn dan 25 bladzijden. Wie een langere conclusie wil indienen, moet daarvoor toestemming krijgen. De Hoge Raad oordeelt dat die beperkingen niet in strijd zijn met het recht op toegang tot de rechter of met het beginsel van tegensprekelijk debat. Pleiters moeten in vele burgerlijke procedures een pleitduur aanvragen die de 30 minuten niet mag overstijgen. Dat geldt echter in burgerlijke zaken, niet in strafzaken, die toch een andere natuur hebben.

In België wordt de rechtspleging ter zitting geregeld door de artikelen 153 en 190 van het Wetboek van strafvordering, en zij kenmerkt zich door de openbaarheid en het mondeling karakter. De procedure voor het vonnisgerecht is hoofdzakelijk mondeling. Op straffe van nietigheid moet het openbaar ministerie ter zitting worden gehoord in zijn vordering, houdende de samenvatting van de zaak en zijn conclusies over de toepassing van de strafwet. Het openbaar ministerie is derhalve verplicht te vorderen. De strafrechtspleging voorziet daarenboven erin dat de beklaagde, indien hij dat wenst, altijd kan antwoorden en het laatste woord heeft. De wapengelijkheid wordt eveneens gewaarborgd door artikel 152 van het Wetboek van strafvordering.

Het beginsel van de wapengelijkheid is een fundamenteel element van het recht op een

«eerlijk proces » dat wordt gewaarborgd door artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Dat beginsel vereist een billijk evenwicht tussen de partijen, die elk een redelijke mogelijkheid moeten krijgen om hun zaak voor te leggen onder voorwaarden die hen niet in een duidelijk nadelige positie ten opzichte van de tegenpartij brengen (EHRM, grote kamer, Regner t. Tsjechische Republiek, 19 september 2017, § 146), onder andere in het kader van de uitoefening van rechtsmiddelen (EHRM, 5 november 2002, Wynen en Centre hospitalier interrégional Edith-Cavell t. België, § 32; 3 oktober 2006, Ben Naceur t. Frankrijk, §§ 31-32; 22 mei 2008, Gacon t. Frankrijk, §§ 31-32; 26 juni 2012, Ghirea t. Moldavië, § 31; 18 oktober 2018, Thiam t. Frankrijk, § 55).

De wapengelijkheid in strafzaken kadert in de rechten van verdediging, die een algemeen rechtsbeginsel zijn en vastgelegd werden in het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens. Deze veronderstellen, onder meer:

° dat het de rechter verboden is om uitspraak te doen zonder de argumenten van partijen aanhoord te hebben ( audiatur et altera pars), zie de de Rede Uitgesproken door Procureur Generaal J. Du Jardin, Procureur Generaal bij het Hof van Cassatie, uitgesproken op september 2003.

° het recht op een eerlijke behandeling van de zaak op grond van de beoordeling van de rechtspleging in haar geheel (en niet op een tussengeschil of een bijzonder aspect van de rechtspleging), op grond van artikel 6.1. EVRM.

° eveneens op grond van artikel 6.1. EVRM heeft de verdachte recht op wapengelijkheid, zoals hierboven besproken evenals op het vermoeden van onschuld.

° het recht om tegenspraak te voeren m.b.t. de vaststellingen van de verbalisanten en het recht op een onpartijdige beoordeling van deze elementen door de rechter (Cassatie, 4 februari 1997, A.C. 1997, 62, 22 juni 1999, A.C. 1999, 386).

° Artikel 6, lid 3, waarborgt eenieder tegen wie vervolging is ingesteld, bepaalde minimumrechten, waaronder het recht „zichzelf te verdedigen of daarbij de bijstand te hebben van een raadsman naar eigen keuze” Hetzelfde recht blijkt uit Artikel 14, lid 1, van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten.

Specifiek voor onderzoeksgerechten geldt dat de beslissing waarbij de beklaagde naar de correctionele rechtbank verwezen wordt zonder hem op de terechtzitting te hebben opgeroepen om aldaar gehoord te worden, het algemeen beginsel van het recht van verdediging miskent (Cass. 24 februari 1999, A.C. 1999, nr. 115; zie evenwel: Cass. 26 maart 2003, P.03.0208.F). Dat is mooie echtspraak, maar …. om te beoordelen of een zaak eerlijk is behandeld in de zin van artikel 6.1 EVRM, moet worden onderzocht of de zaak in haar geheel is behandeld in een eerlijk proces: wanneer de beklaagde voor het vonnisgerecht de door het openbaar ministerie tegen hem ingebrachte gegevens vrij heeft kunnen tegenspreken, kan hij niet beweren dat zijn recht van verdediging is miskend of dat hij geen recht heeft gehad op een eerlijk proces (Cass. 5 januari 2001, A.C. 2001, nr. 336; 16 mei 2001, A.C. 2001, nr. 288).

Er dient ook op gewezen te worden dat hetzelfde Hof van Cassatie reeds oordeelde dat het recht op en een eerlijke behandeling van de zaak door een onpartijdige rechter in het licht van het vermoeden van onschuld wordt miskend door de rechter die de wijze waarop een beklaagde zich verdedigt beoordeelt, of de schijn wekt dat elke verdediging zinloos is ( Cass. 24 augustus 1998, AR P.98.1007.N., nr.371 evenals Cass., 9 oktober 2003, AR. P.02.0008.N, 485). Hoe kan een rechter dan zeggen dat de verdediging van een beklaagde maximaal 10 minuten tijd mag kosten ?

De bepaling in het arrest van 14 maart 2023 waarin verwezen wordt naar “de korte tijd” waarbinnen onderzoeksgerechten uitspraak moeten doen over hechtenissen kan overigens geen hout snijden, nu het Europees Hof voor de Rechten van de Mens ( in het kader van de beoordeling van de redelijke termijn in strafzaken) herhaaldelijk geoordeeld heeft dat de gebrekkige uitrusting van de gerechtelijke diensten en de overbelasting van de rechtbanken kunnen geen geldige verontschuldiging zijn voor het niet eerbiedigen van de redelijke termijn ( zie oa. E.H.R.M., 1991, Ficarra, §17). Volgens het hof heeft elke staat, die het EVRM heeft bekrachtigd, de plicht op zich genomen om het gerechtelijk systeem zo te organiseren dat alle zaken worden behandeld in overeenstemming met de vereiste van art. 6.1. EVRM o.m. inzake de redelijke termijn. Ook deze vlieger gaat dus niet op.

Het komt overigens ook niet aan de verdachte toe om aan te tonen, zoals het Hof lijkt te suggereren, waarom hij meer tijd nodig heeft ( of ‘waar zijn rechten van verdediging zijn geschonden). Het is de advocaat die de verdediging organiseert. De rechter heeft een andere taak, en dient zich daarvan te onthouden.

Het beperken van de pleitduur in strafzaken is daarom uit den boze. Het betekent echter niet dat het voor een advocaat verstandig is om zo lang mogelijk te pleiten. Brevitas postulatur, quae mihimet amicissima est, ‘van mij is de beknoptheid vereist, die mij zo aangenaam is’, zo stelde Cicero in zijn pleidooi voor Publius Quinctius.

Het pleidooi van Cicero voor Quinctius was echter nog niet gedaan ( hij kreeg wellicht meer dan 10 minuten de tijd), en hij vervolgde: ‘Ik zal mijzelf bepaalde beperkingen en limieten stellen, die ik niet mag overschrijden, hoezeer ik het ook zou willen.’ Beknoptheid is een deugd die advocaten zichzelf moeten opleggen, om op die manier hun cliënten beter te dienen, en betere resultaten te behalen.

Laat ons die overweging evenwel aan de individuele advocaat laten. Advocaten zijn geen kinderen, en het tegendeel is gevaarlijk …

Len Augustyns

Len Augustyns

Sinds 2000 is Len Augstyns als advocaat actief aan de Antwerpse balie, met uitgebreide expertise in strafrecht, financieel/economisch strafrecht en bijzonder strafrecht. Hij vertegenwoordigt zowel beklaagden als slachtoffers voor verschillende rechtbanken, waaronder het Hof van Cassatie. Zijn focus ligt op een persoonlijke en snelle dossierafhandeling. Als vennoot bij Lens&Maes en Metis Advocaten en de beheerder van een niche-kantoor in Antwerpen, met een tweede kantoor in Brasschaat, heeft hij ruime ervaring. Hij was ook betrokken bij de Orde van Advocaten in Antwerpen en leverde bijdragen aan de juridische literatuur over strafrecht.
advies delen met anderen

Inhoud